ECLI:NL:CRVB:2006:AV3332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Geen compensatie voor termijnoverschrijding bij arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante, een zelfstandige in een winkel voor beenmode, vroeg op 17 juni 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan. Na bezwaar en een nieuw arbeidskundig onderzoek werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35% per 31 oktober 1997. De rechtbank vernietigde een eerder besluit en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
De Raad bevestigt dat het nieuwe besluit terecht is genomen, waarbij functies zonder toeslagen voor afwijkende arbeidstijden werden bijgeduid. De berekening van de arbeidsongeschiktheid is volgens vaste jurisprudentie correct uitgevoerd via een vergelijking van uurlonen, zonder rekening te houden met de kleinere omvang van de functies.
Appellante stelde dat haar rechten werden geschonden en dat de procedure onredelijk lang duurde, wat een compensatie voor immateriële schade rechtvaardigt. De Raad oordeelt dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro, de lange duur niet gerechtvaardigd is maar ook geen aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af en bevestigt het bestreden besluit, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering conform de eerdere uitspraak wordt vastgesteld.
Uitkomst: Verzoek om compensatie voor termijnoverschrijding wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.