AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling vergoeding kosten bezwaar op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin vergoeding van bepaalde tandheelkundige kosten werd geweigerd. Na aanvulling van het behandelplan door de behandelend tandarts werd het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de vergoeding alsnog toegekend voor de betreffende nota.
Eiseres verzocht vervolgens om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar had gemaakt op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek werd door verweerster afgewezen, waarna eiseres beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het primaire besluit niet onrechtmatig was omdat eiseres onvolledige gegevens had verstrekt en het bestuursorgaan niet verplicht was zelf aanvullende informatie in te winnen bij de behandelend tandarts. Omdat het bezwaarbesluit niet bestreden is, kan daarop niet worden teruggekomen. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar wordt afgewezen.
Uitspraak
05/1669 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 januari 2005, kenmerk BZ 44554, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, met bijlage, is uiteengezet waarom eiseres het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2006. Aldaar is voor eiseres verschenen mr. A. Bierenbroodspot voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster aan eiseres, als uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet, bij besluit van 14 juli 2003 op grond van artikel 20 vanPro de Wet een vergoeding toegekend van, voor zover hier van belang, de kosten van een eenmalige gebitsrehabilitatie, tot een nader door verweerster vast te stellen bedrag, na goedkeuring van een - nog in te dienen - behandelplan en kostenbegroting.
Verweerster heeft vervolgens van de behandelend tandarts van eiseres, T. Folmer, een uitgebreid en gedetailleerd behandelplan met bijbehorende begroting van 20 oktober 2003 ontvangen, dat door de adviserend tandarts van verweerster, M. Schächter, is geaccordeerd.
Naar aanleiding van een op 5 februari 2004 van eiseres ontvangen declaratie betreffende vijf nota’s van T. Folmer voornoemd, heeft verweerster, daartoe geadviseerd door M. Schächter voornoemd, bij besluit van 2 maart 2004 besloten twee nota’s niet te vergoeden, met betrekking tot de in dit geding nog van belang zijnde nota, nr. 2497/2023330 van 16 december 2003 ad € 296,10, op de grond dat de behandelingen niet conform het behandelplan zijn uitgevoerd en de kosten dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Nadat van de zijde van eiseres tegen dit besluit bezwaar was gemaakt en door T. Folmer bij brief van 7 juni 2004 een aanvulling op het behandelplan was ingediend heeft M. Schächter verweerster gemeld dat de verrichting (waarop de nota van 16 december 2003 betrekking heeft) gezien moet worden als een niet te voorziene complicatie tijdens de uitvoering van het goedgekeurde behandelplan en daarom alsnog vergoed kan worden. Verweerster heeft vervolgens bij besluit van 14 oktober 2004 het bezwaar gegrond verklaard voor zover het bovengenoemde nota betreft.
Het bij het bezwaar gedane verzoek om met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten te vergoeden heeft verweerster als aanvulling op voornoemd besluit van 14 oktober 2004 bij het thans bestreden besluit van 28 januari 2005 afgewezen.
Eiseres kan zich daarmee niet verenigen. Opgemerkt wordt dat verweerster ten onrechte heeft nagelaten reeds bij haar besluit op bezwaar van 14 oktober 2004 te beslissen op het verzoek om toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voorts wordt aangevoerd dat het primair genomen besluit van 2 maart 2004 is herroepen omdat het niet toekennen van de vergoeding onrechtmatig was. Het had haars inziens op de weg van verweerster gelegen om, bij twijfel of uitvoering is gegeven aan het behandelplan, inlichtingen in te winnen bij de behandelend tandarts overeenkomstig artikel 3:2 vanPro de Awb. Nu dit is nagelaten en aan de door eiseres ingeschakelde gemachtigde is overgelaten, acht zij het niet meer dan redelijk dat de kosten daarvan in het kader van artikel 7: 15, tweede lid, van de Awb worden vergoed.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Allereerst zij opgemerkt dat eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 14 oktober 2004 zodat mogelijk aan dat besluit klevende onregelmatigheden hier niet met vrucht aan de orde kunnen worden gesteld.
De Raad overweegt voorts als volgt.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Verweerster stelt zich in deze op het standpunt dat de betalingsbeschikking van 2 maart 2004, voor zover hier aan de orde, niet is herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid.
Zij voert in dit verband aan dat vergoeding is verleend van de kosten van een éénmalige gebitsrehabilitatie volgens een goedgekeurd behandelplan met kostenbegroting en dat eiseres en haar behandelend tandarts van de aldus vastgelegde begrenzingen op de hoogte waren. Dit “moederbesluit” vormt de basis voor de beoordeling van de vergoedbaarheid van de declaraties. Indien, aldus verweerster, voor de tandheelkundig adviseur op basis van het “moederbesluit” niet aanstonds blijkt dat de gedeclareerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dan is deze declaratie onvolledig. In dit geval betrof het kosten die geen deel uitmaakten van het behandelplan en waarvoor eerst op grond van nadere informatie van de behandelend tandarts een titel voor vergoeding is gevonden. Onvolledigheid van een declaratie komt volgens verweerster voor rekening en risico van de belanghebbende. Aan de kant van verweerster bestaat er bij de behandeling van declaraties immers slechts de beperkte onderzoeksplicht, zoals hierboven beschreven.
De Raad overweegt dienaangaande dat artikel 3:2 vanPro de Awb bepaalt dat het bestuurs-orgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Nauwkeurigheid, omvang en diepgang van het benodigde onderzoek hangen sterk af van de aard van het besluit.
De Raad is van oordeel dat in een geval als hier aan de orde, waarin, op basis van een besluit ingevolge artikel 20 vanPro de Wet tot toekenning van een vergoeding van specifiek omschreven medische kosten, een belanghebbende naarmate de behandeling voortgang vindt declaraties kan indienen, de onderzoeksplicht die verweerster op grond van artikel 3:2 vanPro de Awb heeft niet zover strekt dat verweerster zelf, indien een van die declaraties bij een normaal zorgvuldige beoordeling niet aanstonds blijkt te vallen onder de toekenningsbeslissing, aan (de behandelend arts van) eiseres om nadere informatie dient te vragen. Het ligt op de weg van de betrokkene zelf om gegevens te (doen) verstrekken, waaruit kan blijken dat de declaratie wel op basis van de toekenningsbeslissing voor vergoeding in aanmerking komt. Eerst de van de kant van eiseres in het kader van het door haar tegen verweersters besluit van 2 maart 2004 gemaakte bezwaar alsnog verstrekte gegevens, inhoudende een aanvulling op het eerder goedgekeurde behandelplan, hebben ertoe geleid dat verweerster haar besluit om vergoeding van de aan orde zijnde declaratie te weigeren heeft herroepen.
Nu eiseres zelf bij haar verzoek aan verweerster om de nota van 16 december 2003 ad € 296,10 te vergoeden onvolledige gegevens heeft verstrekt, moet de Raad vaststellen dat het aan eiseres zelf te wijten is dat het primair genomen afwijzende besluit is afgegeven.
Het bestreden besluit kan gelet op het vorenstaande standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.