ECLI:NL:CRVB:2006:AV3833

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1550 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen en passend werk

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar vanaf 9 maart 2002 geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zij geschikt zou zijn voor haar eigen werk als verpleeghulp via een uitzendbureau en ander passend werk met minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen aanwijzingen waren dat het UWV onjuiste medische beperkingen had gehanteerd. Dit oordeel was gebaseerd op onderzoeken door verzekeringsartsen en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts op informatie van de behandelend neuroloog.

Appellante voerde aan dat zij neurologische klachten heeft en mogelijk MS, waardoor zij niet in staat was haar werk te verrichten. De Raad oordeelde echter dat haar argumenten geen nieuwe gezichtspunten bevatten en dat haar tijdelijke werk als veilingmedewerkster in 2002 wijst op verbetering van haar gezondheid.

Omdat appellante geen second opinion van een neuroloog overlegde, zag de Raad geen reden voor nader medisch onderzoek en bevestigde het bestreden besluit en uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen en passend werk.

Uitspraak

04/1550 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 16 februari 2004 onder kenmerk AWB 03/2812 WAO door de rechtbank ‘s-Gravenhage gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2006, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.H.K. Pouwelse, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij zijn besluit van 13 juni 2003, hierna: het bestreden besluit, zijn eerder besluit van 10 januari 2003 gehandhaafd waarbij aan appellante met ingang van 9 maart 2002 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering is geweigerd. Gedaagde acht appellante op en na die datum geschikt voor het verrichten van haar eigen werk als verpleeghulp via een uitzendbureau en voor ander passend werk, waarmee zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat gedaagde is uitgegaan van onjuiste medische beperkingen bij appellante. De rechtbank heeft hierbij onder andere laten wegen dat appellante is onderzocht door zowel de verzekeringsarts P.A. ter Linden als de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, die beiden hebben geconstateerd dat er bij appellante geen dusdanige afwijkingen zijn dat daarvoor beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid moeten worden gesteld, dat de behandelend sector is geraadpleegd en dat Van Duijn op 11 december 2003 nog een reactie heeft gegeven op de in de beroepsprocedure overgelegde informatie van de behandelend neuroloog Kasteel.
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Zij heeft aangevoerd dat zij sedert maart 2001 voortdurend kampt met neurologische klachten aan haar rechterarm en -been, waarvoor zij nog steeds onder behandeling is en dat in mei 2001 is aangegeven dat het voor 80% zeker is dat zij MS heeft. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij op 8 maart 2002 zeker niet in staat was haar eigen arbeid te verrichten en zij is van mening dat een nader medisch deskundigenadvies noodzakelijk is.
In geding is de vraag of het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden juist is. De Raad overweegt als volgt.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtspunten en kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen en merkt nog op dat appellante in de periode van april 2002 tot augustus 2002 heeft gewerkt als veilingmedewerkster, hetgeen een aanwijzing vormt voor een verbetering van de gezondheidstoestand van appellante in de eerste helft van het jaar 2002. Mede gelet op de omstandigheid dat appellante de op haar verzoek bij neuroloog prof. dr. A.R. Wintzen aangevraagde second opinion niet heeft overgelegd ziet de Raad geen aanleiding een nader medisch deskundigenadvies in te winnen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.