ECLI:NL:CRVB:2006:AV4157

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5763 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20, eerste lid, aanhef en onder b, WWArt. 16, eerste lid, aanhef en onder b, WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het verlies van recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg die het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bevestigde dat appellant geen recht meer heeft op een WW-uitkering vanaf 19 mei 2003. Dit besluit was gebaseerd op het feit dat appellant zich wegens ziekte niet beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt.

De Raad voor de Rechtspraak heeft het geschil beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) zoals die ten tijde van het geschil van toepassing was. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde argumenten geen nieuwe inzichten bieden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De rechtbank had overwogen dat appellant onmiskenbaar en duidelijk te kennen heeft gegeven zich vanaf 19 mei 2003 niet beschikbaar te stellen voor arbeid vanwege zijn gezondheidstoestand. Dit werd onder meer ondersteund door een werkbriefje waarin appellant aangaf ziek en niet geschikt voor de arbeidsmarkt te zijn in de periode van 19 mei tot 15 juni 2003. Er was geen bewijs dat appellant nadien zijn standpunt over beschikbaarheid had gewijzigd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van het UWV en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.A. Hoogeveen in aanwezigheid van griffier L. Karssenberg op 1 maart 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 19 mei 2003 geen recht meer heeft op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5763 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij het beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Middelburg op 15 september 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 04/201, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gronden van het beroep zijn nadien nog diverse malen schriftelijk aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich met bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Na schorsing van de uitkering bij besluit van 4 juli 2003 heeft gedaagde bij besluit van 1 december 2003 appellant ervan in kennis gesteld dat hij vanaf 19 mei 2003 geen recht meer heeft op WW-uitkering op de grond dat hij vanaf deze datum niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Bij het op bezwaar gegeven besluit van 4 maart 2004 heeft gedaagde dat standpunt gehandhaafd. Verwezen is naar
artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 maart 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is bij de aangevallen uitspraak (waarin voor eiser appellant en voor verweerder gedaagde moet worden gelezen) het volgende overwogen:
”Evenals verweerder is ook de rechtbank van oordeel dat uit de houding en het gedrag van eiser niet anders kan worden afgeleid dan dat eiser onmiskenbaar en duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij zich in verband met zijn gezondheidstoestand vanaf 19 mei 2003 niet beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser op het werkbriefje over de periode van 19 mei 2003 tot 15 juni 2003 heeft aangegeven dat hij ziek en niet geschikt voor de arbeidsmarkt is en dat niet gesteld of gebleken is dat eiser nadien een ander standpunt met betrekking tot zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt heeft ingenomen.”
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat vergeleken bij het gestelde in eerste aanleg geen nieuwe argumenten. Die argumenten zijn, als gezegd, door de rechtbank op goede gronden verworpen en behoeven derhalve geen bespreking meer.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de Raad dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.