ECLI:NL:CRVB:2006:AV4211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Ch. van Voorst
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens vermindering arbeidsongeschiktheid onterecht
Appellante kreeg een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) per 19 april 2001 werd beëindigd wegens vermeende vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en volgde het oordeel van een psychiater dat het belastbaarheidspatroon juist was, met uitzondering van een duurbeperking.
In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat haar psychische beperkingen in het belastbaarheidspatroon waren onderschat. De Raad volgde het rapport van een door de rechtbank benoemde internist die stelde dat appellante slechts vier uur per dag arbeid kon verrichten vanwege haar lichamelijke aandoeningen, waaronder erfelijke bloedarmoede, hoge bloeddruk en verlies van zicht in één oog.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De Raad kon nog niet vaststellen welke gevolgen dit heeft voor de aanspraak op WAO-uitkering en eventuele schadevergoeding.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen met inachtneming van de uitspraak.