ECLI:NL:CRVB:2006:AV5299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en intrekking ZW-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, werd na ontslag in 1997 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering van 25-35%. Na toename van psychische klachten werd hem een ZW-uitkering toegekend. De WAO-uitkering werd per 9 april 2001 verlaagd van 80-100% naar 25-35% en de ZW-uitkering ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat appellant geschikt was voor de aan hem voorgehouden functies en dat intensieve begeleiding geen hogere arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt, maar stelde dat de periode van verhoogde arbeidsongeschiktheid tussen november 2000 en april 2001 onvoldoende was meegewogen. De Raad constateert dat het besluit van 9 april 2001 niet is gebaseerd op een arbeidskundig onderzoek toegespitst op die datum, wat in strijd is met het vereiste van een gecombineerde medische en arbeidskundige beoordeling.
Appellant verscheen niet voor een medisch onderzoek door een door de Raad benoemde deskundige, ondanks oproepen. De Raad baseert zijn oordeel daarom op de beschikbare stukken en acht de medische beoordeling juist. De Raad vernietigt het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering en draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een arbeidskundig onderzoek. Het hoger beroep tegen het ZW-besluit wordt afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Besluit tot verlaging WAO-uitkering per 9 april 2001 wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.