ECLI:NL:CRVB:2006:AV5630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens verwachte arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden
Appellant trad op 6 oktober 2001 in dienst als kok en meldde zich kort daarna ziek vanwege maagklachten. Hij had reeds vóór zijn dienstverband terugkerende maagproblemen, die vooral bij stress optraden. De verzekeringsarts concludeerde dat artikel 44 van Pro de Ziektewet van toepassing was, waardoor ziekengeld geweigerd kon worden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellant niet ongeschikt was voor werk bij aanvang van de verzekering, maar dat met grote mate van zekerheid binnen een half jaar arbeidsongeschiktheid te verwachten was.
De medische gegevens en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ondersteunen dit standpunt, mede gelet op de stressvolle privéomstandigheden van appellant. De Raad oordeelt dat gedaagde bevoegd was de uitkering te weigeren en dat de wijze van toepassing van deze bevoegdheid rechtmatig was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellant.