ECLI:NL:CRVB:2006:AV5879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant voerde hoger beroep tegen de intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering die aan [naam] was verleend over de periode van 1 januari 2000 tot 15 januari 2003. De gemeente Heerenveen had het bedrag van €34.635,39 teruggevorderd omdat appellant en [naam] een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
De Raad stelde vast dat appellant en [naam] feitelijk samenwoonden en zorg droegen voor elkaar, zoals blijkt uit verklaringen van appellant en getuigen, en dat appellant de beschikking had over de woning en financiële middelen van [naam]. De Raad oordeelde dat appellant als persoon met wiens middelen rekening gehouden moest worden, mede aansprakelijk was voor de terugvordering.
Appellant voerde aan dat hij niet gedurende de gehele periode een gezamenlijke huishouding had gevoerd en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad verwierp deze argumenten omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die kwijtschelding rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat bij de invordering rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet en dat na vijf jaar constante aflossing het restant vaak buiten invordering wordt gesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd.