ECLI:NL:CRVB:2006:AV6097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en geschiktheid geselecteerde functies
Appellant, werkzaam als vorkheftruckchauffeur, viel uit wegens psychische en spanningsklachten met een schouderbladbreuk. De uitkering op grond van de WAO werd in 2002 vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25% en in 2004 herzien naar 25 tot 35%.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen de eerste vaststelling ongegrond, maar gaf in een latere uitspraak deels gehoor aan het beroep tegen de herziening, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraken.
De Raad nam het oordeel van de rechtbank over en oordeelde dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en dat hij de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies kon verrichten. De rapporten van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen werden als juiste weergave van de medische situatie beschouwd.
De Raad bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct was vastgesteld en dat de herziening van de uitkering terecht was. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.