ECLI:NL:CRVB:2006:AV6179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Herziening WAZ-uitkering met terugwerkende kracht en bijzonder geval afgewezen
De zaak betreft een geschil over de herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). De overledene ontving sinds 1987 een uitkering, die in 2001 werd herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht vanaf 27 september 1999. De erven stelden dat sprake was van een bijzonder geval dat een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigde.
De rechtbank had het beroep van de erven gegrond verklaard en aangenomen dat sprake was van een bijzonder geval, mede omdat de uitkeringsgerechtigde niet tijdig was opgeroepen voor een medische herbeoordeling. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een verouderd Cohortenbesluit en dat de juiste regelgeving een latere datum voor herbeoordeling bepaalt.
De Raad stelt dat er geen feiten of omstandigheden zijn die een bijzonder geval in de zin van de WAZ rechtvaardigen. Ook is onvoldoende gebleken dat het onmogelijk was voor de zorgverleners om eerder melding te maken van de toegenomen beperkingen. Onbekendheid met de regelgeving vormt geen grond voor een bijzonder geval.
Daarom vernietigt de Centrale Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ongegrond, waarmee de terugwerkende kracht beperkt blijft tot maximaal één jaar vanaf de datum van melding.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand zonder verdergaande terugwerkende kracht.