ECLI:NL:CRVB:2006:AV6425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1238 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens niet tijdig verlengen inschrijving bij CWI

Appellant was met ingang van 1 januari 2002 een WW-uitkering toegekend op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week. De uitkering werd met ingang van 24 maart 2003 gedurende 52 weken met 20% verlaagd omdat appellant zijn inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) niet tijdig had verlengd, waardoor deze was beëindigd.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond. De rechtbank stelde vast dat appellant niet had voldaan aan de verplichting uit artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW om zich als werkzoekende bij het CWI te registreren en die registratie tijdig te verlengen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de beëindiging van zijn inschrijving buiten zijn toedoen was gebeurd, noch was sprake van dringende redenen om van de maatregel af te zien.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad vond geen nieuwe feiten of argumenten die aanleiding zouden geven tot een ander oordeel. De Raad benadrukte dat het beroep op terugvordering van onverschuldigde betaling buiten het bestreden besluit valt en daarom niet in deze procedure wordt beoordeeld.

De Raad concludeert dat de verlaging van de WW-uitkering terecht is opgelegd en dat het hoger beroep ongegrond is, waarmee de uitspraak van de rechtbank standhoudt.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering wegens niet tijdig verlengen van de inschrijving bij het CWI wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1238 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 februari 2005, nr. AWB 04/1748, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Gedaagde heeft appellant met ingang van 1 januari 2002 een uitkering ingevolge de WW toegekend, gebaseerd op een gemiddeld arbeidsurenverlies van 40 uur per week.
3. Bij het op bezwaar genomen besluit van 6 juli 2004 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 25 maart 2004 gehandhaafd, waarbij de WW-uitkering van appellant met ingang van 24 maart 2003 gedurende 52 weken bij wijze van maatregel is verlaagd met 20%.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat appellant, nu vaststaat dat hij in de periode van 25 februari 2003 tot en met 21 maart 2004 niet als werkzoekende ingeschreven heeft gestaan bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, dat de werknemer verplicht is zich als werkzoekende bij de CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen.
4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep uitvoerig gemotiveerd ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zijn inschrijving bij de CWI niet tijdig heeft doen verlengen tengevolge waarvan de inschrijving is beëindigd. Derhalve staat vast dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting neergelegd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW. Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn inschrijving bij de CWI is beëindigd door buiten zijn toedoen liggende oorzaken, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid. Ook het beroep op dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien is door de rechtbank verworpen.
5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
5.1. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met de stellingen in eerste aanleg geen nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven.
Voor zover appellant in hoger beroep klaagt over de omstandigheid dat van hem een bedrag van € 7.200,-- wordt teruggevorderd, merkt de Raad op dat hij daarover geen oordeel kan uitspreken nu het bestreden besluit niet handelt over de terug- en invordering van onverschuldigd betaalde uitkering.
6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad acht geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.