ECLI:NL:CRVB:2006:AV9443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2817 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • R.E. Koerts
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gelijkstelling met vervolgde? Kind uit een gemengd huwelijk en oorlogservaringen

In deze zaak gaat het om de vraag of eiser, geboren in 1938 als kind uit een gemengd huwelijk, gelijkgesteld kan worden met een vervolgde op basis van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Eiser heeft in juni 2004 een verzoek ingediend bij de Pensioen- en Uitkeringsraad, waarin hij stelt dat hij en zijn ouders in de Jodenbuurt woonden en dat zij de gevolgen van de vervolging van zijn vader, die in Westerbork gevangen zat, hebben ervaren. Eiser heeft aangevoerd dat de angst en onzekerheid die zijn ouders na de vrijlating van zijn vader voelden, hebben geleid tot een situatie waarin hij niet naar school mocht en in een soort onderduik heeft geleefd. De verweerster heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat zij van mening was dat de omstandigheden van eiser niet voldoende afweken van die van andere kinderen uit gemengde huwelijken.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 16 maart 2006 behandeld. De Raad oordeelt dat de verweerster ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen feitelijke grondslag was voor de gelijkstelling van eiser met de vervolgde. De Raad heeft vastgesteld dat de omstandigheden waaronder eiser heeft geleefd tijdens de oorlogsjaren, in combinatie met zijn subjectieve beleving, duidelijk ongunstig waren en zich onderscheiden van die van andere kinderen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt de verweerster in de proceskosten van eiser, die in totaal € 334,58 bedragen, en bepaalt dat het griffierecht van € 35,- aan eiser wordt vergoed. De verweerster moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Uitspraak

05/2817 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 30 maart 2005, kenmerk JZ/R60/2005/0070, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2006. Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsvrouwe. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser is geboren [in] 1938 als kind uit een zogenoemd gemengd huwelijk, waarin
zijn vader de Joodse partner was. Eiser heeft zich in juni 2004 tot verweerster gewend met het verzoek te worden gelijkgesteld met de vervolgde. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij met zijn ouders woonde in de Jodenbuurt van [woonplaats], heeft meegemaakt dat onder meer zijn grootouders en neefje/ speelkameraadje [betrokkene] met zijn ouders zijn weggehaald, dat zijn vader is opgepakt en naar Westerbork is gebracht van waaruit hij is vrijgelaten na sterilisatie, dat zijn ouders daarna zo angstig waren dat zij hem binnen hebben gehouden en niet meer naar school hebben laten gaan. Eiser stelt zijn gehele verdere leven onder de oorlogservaringen te hebben geleden, een periode te hebben gekend van depressiviteit en thans zodanige psychische klachten te hebben dat behandeling in het Sinaï centrum nodig is.
Verweerster heeft het verzoek van eiser afgewezen bij besluit van 5 november 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerster heeft daarbij aangegeven dat de door eiser genoemde omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Daarbij is overwogen dat hetgeen eiser is overkomen te veel leunt op hetgeen aan anderen is aangedaan en te weinig betrekking heeft op zijn eigen met vervolging vergelijkbare ervaringen en daarom onvoldoende afwijkt van wat andere kinderen uit gemengde huwelijken hebben meegemaakt.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet komt - kort weergegeven en voor zover van toepassing- aan verweerster de bevoegdheid toe om met de vervolgde gelijk te stellen degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging.
Het geschil betreft de vraag of eiser in de oorlogsjaren heeft verkeerd in dergelijke met vervolging overeenkomst vertonende omstandigheden.
Verweerster heeft blijkens een aan het bestreden besluit ten grondslag liggend pre-advies van 15 maart 2005 in dit verband met name gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser in de Jodenbuurt woonde en van nabij de met geweld, angst, spanningen en paniek gepaard gaande periode van razzia’s heeft meegemaakt waarbij steeds meer familie en vriendjes verdwenen en voorts dat zijn vader enige tijd uit het gezin afwezig is geweest in verband met vervolging.
De Raad stelt vast dat niet duidelijk is welke betekenis verweerster heeft toegekend aan de vast staande omstandigheid dat de vader van eiser, die door verweerster als vervolgde is erkend, na een gevangenschap in Westerbork van 27 mei 1943 tot 22 juli 1943 een gedwongen sterilisatie heeft ondergaan om aan verdere vervolging te ontkomen. Een dergelijke ingreep kwalificeert de Raad als zeer ingrijpend in het leven van de betrokkene en diens directe familieleden. De Raad acht het dan ook volstrekt niet onaannemelijk dat de nadien bij eiser en zijn ouders aanwezige onzekerheid over de toekomst en angst voor verdere vervolgingsmaatregelen ook jegens eiser, er toe hebben geleid dat eiser door zijn ouders thuis werd gehouden, niet meer naar school mocht en de rest van de oorlog in een met onderduik vergelijkbare situatie heeft verkeerd, zoals door hem is gesteld. Deze feiten bezien in samenhang met de overige door verweerster aanvaarde omstandigheden brengen de Raad tot het oordeel dat de feitelijke omstandigheden waaronder eiser tijdens de bezettingsjaren heeft geleefd alsmede het subjectieve belevingsperspectief daarvan zich duidelijk ongunstig hebben onderscheiden van die van andere kinderen uit gemengde huwelijken. Verweerster heeft mitsdien naar het oordeel van de Raad in het geval van eiser ten onrechte geen feitelijke grondslag aanwezig geacht voor gelijkstelling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,- aan kosten van juridische bijstand en € 12,58 aan reiskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 334,58 te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;
Bepaalt dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en
mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) R.E. Koerts.
HD
27.02