ECLI:NL:CRVB:2006:AW0983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens ontbreken verzekeringsstatus bij arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde beroep in tegen de rechtbankuitspraak die haar bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ongegrond verklaarde. Het geschil betrof de vaststelling van het WAO-dagloon, de toeslag op grond van de Toeslagenwet en de weigering van een WAZ-uitkering.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor haar stelling dat zij meer had gewerkt dan door het UWV was aangenomen, waardoor het WAO-dagloon en de toeslag correct waren vastgesteld. Tevens werd geoordeeld dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de referteperiode als meewerkend echtgenote arbeid had verricht in een eigen bedrijf, waardoor zij niet in aanmerking kwam voor een WAZ-uitkering.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om de berekeningen van het UWV onjuist te achten, mede omdat de door appellante overgelegde stukken niet op de relevante referteperiode betrekking hadden. Ook ontbrak bewijs dat appellante verzekerd was of inkomensvormende arbeid had verricht in het kader van de WAZ. De Raad bevestigde daarom de rechtbankuitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellante niet als verzekerde kan worden aangemerkt.