ECLI:NL:CRVB:2006:AW1381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatmaninkomen en psychische belastbaarheid in Waz-uitkeringszaak
Appellant, die samen met zijn echtgenote een stoffeerderij dreef, vroeg een Waz-uitkering aan wegens pijnklachten. Het UWV weigerde deze omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onjuiste feitelijke grondslag omtrent belastbaarheid en maatmaninkomen en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn psychische belastbaarheid was overschat en dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld vanwege een onjuiste winstverdeling tussen hem en zijn echtgenote. De Raad overwoog dat de psychische beperkingen door het UWV en de deskundige Van Aanholt adequaat waren meegewogen, waarbij ook medicatiegebruik werd erkend. De Raad achtte geen noodzaak voor aanvullend psychologisch onderzoek.
Ten aanzien van het maatmaninkomen volgde de Raad de fiscale winstverdeling zoals vastgelegd in de vennootschapsakte en door de fiscus geaccepteerd, omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond om hiervan af te wijken. De bezwaararbeidsdeskundige Stiekema concludeerde dat appellant met de geselecteerde functies voldoende verdiencapaciteit had om geen verlies van 25% of meer te lijden.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Het standpunt van appellant over een hogere psychische beperking en een afwijkende winstverdeling werd verworpen, waarbij werd benadrukt dat de fiscale winstverdeling uitgangspunt blijft tenzij bijzondere omstandigheden worden aangetoond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.