Het uit verweerders beleid voortvloeiende standpunt dat de amateur-artiesten in hun hoofdbetrekking het minimumloon verdienden acht de rechtbank, mede in het licht van hetgeen is bepaald in artikel 12, eerste lid, van de CSV, dan ook niet onjuist. Van verweerder kan immers in een geval als het onderhavige niet meer gevergd worden dan dat hij een schatting maakt van hetgeen elders wordt verdiend, waarbij het uitgangspunt van het wettelijk minimumloon niet als onredelijk kan worden aangemerkt.
Eiseres is echter van mening dat de man-dagregeling ook bij amateur-artiesten dient te worden toegepast. Daarbij heeft eiseres verwezen naar een circulaire van de voormalige Ziekenfondsraad van 9 januari 1991, ZFW/4/91.
Deze circulaire vermeldt dat een aantal voormalige bedrijfsverenigingen een kleinere eenheid dan een week hanteerde voor de herleiding van het loon tot jaarloon voor ambulante musici en artiesten, alsmede voor losse medewerkers van de NOS. De reden hiervoor was, dat de desbetreffende werknemers bij een veelheid van opeenvolgende werkgevers werkzaam waren tegen steeds wisselende lonen. Indien werknemers bij een bepaalde werkgever korter dan een week werkten, zouden die werkgevers steeds moeten nagaan of de werknemers in die week nog bij andere werkgevers hadden gewerkt of zouden gaan werken, hetgeen in de praktijk niet doenlijk was.
De rechtbank komt op grond van hetgeen hier vermeld is tot de conclusie dat het in de circulaire gaat om professionele losse krachten, die hun hoofdbetrekking hebben in het werk dat zij als losse kracht verrichten. Daarmee onderscheiden deze losse krachten zich wezenlijk van de amateur-artiesten die voor eiseres werkzaam zijn. Deze artiesten hebben immers hun hoofdbetrekking in andere werkzaamheden. Het beroep van eiseres op de circulaire kan dan ook niet slagen.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat - daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder, althans zijn rechtsvoorganger(s), gehouden was zijn beleidslijn ten aanzien van de amateur-artiesten te publiceren - verweerder op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de in dit geding relevante wettelijke bepalingen.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Van de zijde van eiseres is slechts, eerst ter zitting, een gedeelte van een uitspraak van de rechtbank Alkmaar overgelegd, waaruit wellicht zou kunnen worden afgeleid dat de in die procedure opererende gemachtigde van verweerder een ander standpunt heeft ingenomen dan verweerder in het onderhavige geval. Voor het overige ontbreekt een concrete onderbouwing. Op basis hiervan kan niet geoordeeld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Ten aanzien van het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel stelt de rechtbank vast dat bij een looncontrole in 1996 over de verplichte verzekering in het kader van de ZFW is gesproken en dat daarover, zoals ook door de heer Roelofs ter zitting is aangegeven, een meningsverschil bestond.
Reeds gelet hierop kan niet geoordeeld worden dat er sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Hieraan doet niet of dat het door eiseres voor de loonadministratie gehanteerde computerprogramma niet uit de voeten kan met het standpunt van verweerder en evenmin dat in 1996 voorgesteld werd het programma door de fiscus te laten onderzoeken.".