ECLI:NL:CRVB:2006:AW1805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken relevante periode van arbeidsongeschiktheid in 1972
Appellant, die van 1969 tot 1972 in Nederland werkte en in 1972 werd uitgezet wegens illegaal verblijf, vroeg in 1999 een WAO-uitkering aan met de stelling dat zijn arbeidsongeschiktheid in 1972 begon. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet kon aantonen dat hij in 1972 een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten, waaronder een uitnodiging voor een medisch spreekuur en brieven van het ziekenfonds, onvoldoende bewijs boden voor de vereiste periode van arbeidsongeschiktheid. Medisch onderzoek in Marokko toonde aan dat klachten pas vanaf 1978 bestonden, wat de stelling van appellant ondermijnde.
Appellant stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aan het licht die het eerdere oordeel konden veranderen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken arbeidsongeschiktheid in 1972.