ECLI:NL:CRVB:2006:AW1828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens passende arbeid met beperkingen
Appellant, woonachtig in Turkije, ontving sinds 1981 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2002 werd zijn uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (35-45%) omdat hij met de vastgestelde beperkingen passende arbeid zou kunnen verrichten. Appellant voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, leeftijd en maatschappelijke positie onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de medische basis van het besluit juist was en dat de arbeidskundige beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies correct was uitgevoerd. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat de functies binnen het 'ter plaatse waar'-criterium vielen, namelijk binnen vijf kwartier reistijd vanaf de woonplaats van appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat het FIS-formulier niet overeenkwam met het in Turkije opgestelde TH-214 formulier, met name op psychisch gebied. De Raad concludeerde echter dat de vertaalslag van het TH-214 formulier naar het FIS correct was gemaakt en dat de beperkingen zonder objectieve basis niet waren overgenomen.
De Raad vond geen reden om het belastbaarheidspatroon of de passendheid van de functies te betwijfelen en bevestigde het bestreden besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering omdat appellant met zijn beperkingen passende arbeid kan verrichten.