ECLI:NL:CRVB:2006:AW2066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Herziening premienota’s sociale verzekeringen bij ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde zich op het standpunt dat herziening van premienota’s over de jaren 1992 tot en met 1999 alleen mogelijk is bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Gedaagde verzocht om herziening van de premies die waren vastgesteld over werknemers in vaste dienst met een werkpatroon van 14 dagen werken en 14 dagen vrij, met verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van 31 mei 2001.
De rechtbank Alkmaar had het verzoek van gedaagde gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd. De Centrale Raad oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen ziet op herhaalde aanvragen. De Raad stelt dat ook bij terugkomen van een ambtshalve genomen besluit nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden gesteld.
De Raad wijst het beroep van gedaagde af omdat zij geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Jurisprudentie die een eerdere onjuiste uitleg van de wet aantoont, geldt niet als nieuw feit. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de premienota’s van een zusteronderneming niet vergelijkbaar zijn met die van gedaagde. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld die herziening van premienota’s rechtvaardigen.