ECLI:NL:CRVB:2006:AW2076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij het UWV zijn arbeidsongeschiktheid had herzien van 55-65% naar 45-55% per 1 augustus 2002. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen waarop het UWV zich baseerde juist waren vastgesteld en dat de cardiologische afwijkingen van appellant geen aanleiding gaven om de belastbaarheid anders in te schatten.
De Raad stelde vast dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, waarop de herziening was gebaseerd, voetstoots aannam dat de geselecteerde functies op de herzieningsdatum nog beschikbaar waren, zonder dit te onderzoeken. Tevens ontbrak een medisch onderzoek gericht op de gezondheidstoestand van appellant per 1 augustus 2002.
Daarbij concludeerde de Raad dat de herziening onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en vernietigde het besluit voor zover het de herziening betrof. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering per 1 augustus 2002 wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding.