ECLI:NL:CRVB:2006:AW2114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens juiste vaststelling beperkingen
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin de herziening van zijn WAO-uitkering werd bevestigd. De rechtbank had geoordeeld dat appellant per 4 mei 2003 een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% had, gebaseerd op medische beoordelingen.
De Raad heeft het medisch dossier, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en een specialist, beoordeeld en vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel dat ten grondslag ligt aan het besluit. De chronische hepatitis B van appellant was bekend, maar er was onvoldoende bewijs voor levercirrhose op de datum van beoordeling.
Ook de arbeidsdeskundige rapportage bevestigde dat de voorgehouden functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. Hierdoor bleef de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%.