ECLI:NL:CRVB:2006:AW2406

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2489 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vergoeding aanschafkosten auto oorlogsgetroffene

Eiser, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding of tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto. Deze aanvraag werd afgewezen door verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, omdat eiser niet voldeed aan het beleid dat dergelijke voorzieningen alleen worden toegekend indien sprake is van zodanige beperkingen dat openbaar vervoer en taxi niet gebruikt kunnen worden.

Uit het medische onderzoek en de processtukken blijkt dat eiser gebruik kan maken van het openbaar vervoer, waaronder reizen per bus en trein, en dat hij beschikt over een NS-kaart voor vrije reizen. Hoewel hij problemen ervaart bij wachten en vertragingen, is er geen sprake van een absolute verhindering om het openbaar vervoer te gebruiken.

De Raad heeft het beleid van verweerster niet onredelijk of onjuist bevonden en acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een afwijking van dit beleid rechtvaardigen. Daarom verklaart de Raad het beroep ongegrond en handhaaft het de afwijzing van de aanvraag van eiser.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor vergoeding van aanschafkosten van een auto wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/2489 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 maart 2005, kenmerk JZ/R70/2005/0165, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006. Aldaar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, die is geboren [in] 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, is bij besluit van verweerster van 9 augustus 2004 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij genoemd besluit is aan hem ingaande 1 oktober 2003 een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een door eiser ingediende aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering is afgewezen. Verweerster heeft daarbij aanvaard dat eiser psychische klachten heeft die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan, maar niet leiden tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Met betrekking tot de bij eiser bestaande rug- en maagklachten heeft verweerster geen verband met de vervolging aangenomen. Een door eiser tegen de afwijzing van de periodieke uitkering ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 30 juni 2005, kenmerk 04/5658 WUV, ongegrond verklaard.
Bij schrijven van 29 oktober 2004 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 14 februari 2005, zoals na door eiser gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
Eiser kan zich met de afwijzing van zijn verzoek niet verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Verweerster hanteert bij voorzieningen ter zake van de aanschafkosten van een auto de richtlijn dat deze uitsluitend worden toegekend indien bij de betrokkene sprake is van zodanige beperkingen (al dan niet met de vervolging samenhangend) dat hij/zij niet van het openbaar vervoer en evenmin van een taxi gebruik kan maken. De Raad heeft deze gedragslijn van verweerster in constante jurisprudentie niet onjuist of onredelijk geacht. Naar blijkt uit de gedingstukken van medische aard is het voor eiser mogelijk van het openbaar vervoer gebruik te maken. Blijkens het in het kader van eisers aanvraag om een periodieke uitkering uitgebrachte rapport van onderzoek, verricht op 16 juli 2004, reist eiser per bus en beschikt hij over een NS-kaart met vrije reizen waarvan hij ook gebruik maakt. Eiser heeft zulks ook niet ontkend. Hij heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het reizen per openbaar vervoer voor hem mogelijk is, maar problemen met zich brengt bij lang wachten op bus of deeltaxi en bij vertragingen van de trein. Van een absolute verhindering om gebruik te maken van het openbaar is bij eiser derhalve geen sprake. Voor toekenning van een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de aanschafkosten van een auto is overeenkomstig verweerster hiervoor weergegeven beleid mitsdien geen plaats. Omstandigheden die in het geval van eiser hadden moeten leiden tot toekenning van de door hem gevraagde voorziening in afwijking van dit beleid, zijn aan de Raad niet gebleken.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
21.02