ECLI:NL:CRVB:2006:AW2429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging vrijwillige WAO-verzekering wegens niet-betaling premies
Appellant had sinds 1 maart 1984 een vrijwillige verzekering op grond van de WAO bij een voormalige bedrijfsvereniging afgesloten met een verzekerd dagloon op franchisebedrag, waardoor geen premie verschuldigd was. Vanaf 1998 ontstond echter een premieverschuldigdheid, waarvoor appellant meerdere facturen ontving die niet zijn betaald.
De gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, beëindigde de vrijwillige verzekering per 1 april 2003 wegens deze betalingsachterstand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij nooit adequaat was geïnformeerd over de premieverschuldigdheid en dat de beëindiging onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de premienota's rechtens verbindend zijn geworden omdat appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De Raad stelt dat de beëindiging van de verzekering een actieve handeling van de gedaagde vereist en dat deze zorgvuldig is geschied. Er zijn geen omstandigheden die de beëindiging per 1 april 2003 onrechtmatig maken. Het belang van appellant bij dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico weegt mee in de zorgvuldigheid waarmee beëindiging plaatsvond.
Daarom wordt het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de vrijwillige WAO-verzekering per 1 april 2003 is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.