ECLI:NL:CRVB:2006:AW2477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit premiedifferentiatie kleine werkgevers en hoorplicht
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die het bestreden besluit vernietigde wegens het ontbreken van essentiële stukken. De rechtbank kon daardoor niet beoordelen of het besluit op goede gronden was genomen. Appellant had verzuimd de gevraagde stukken tijdig te overleggen, ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant tekort is geschoten in zijn procesverplichtingen door niet alle relevante stukken aan te leveren, waardoor de rechtbank geen gefundeerd oordeel kon vormen. Dit leidt tot bevestiging van de vernietiging van het besluit. Wel beoordeelt de Raad inhoudelijk het bestreden besluit omdat appellant in hoger beroep alsnog de ontbrekende stukken heeft overgelegd.
De Raad stelt vast dat het bezwaar van gedaagde tegen de voorschotnota feitelijk gericht is tegen een reeds onaantastbaar geworden besluit van 9 december 2002 over de premiedifferentiatie. Daarom is het bezwaar tegen de voorschotnota terecht ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de definitieve afrekennota is prematuur en dus niet-ontvankelijk. De Raad oordeelt verder dat geen schending van de hoorplicht heeft plaatsgevonden.
Tot slot veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde en bepaalt griffierecht. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit en verklaart het bezwaar tegen de voorschotnota ongegrond en het bezwaar tegen de definitieve afrekennota niet-ontvankelijk.