ECLI:NL:CRVB:2006:AW2501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-4382 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken processueel belang in boetezaak 5%-regeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht waarin een boete opgelegd wegens overtreding van de 5%-regeling werd vernietigd. De rechtbank had geoordeeld dat appellant in de eerste helft van 2002 geen periodieke loonopgaven had gedaan, maar ging voorbij aan zijn stelling dat deze wel aan het SFB waren verstrekt.

In hoger beroep betoogde appellant onenigheid met de rechtbank over het niet toekennen van proceskosten en de terugbetaling van de boete. De Raad overwoog echter dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het geschil feitelijk was komen te vervallen door de toezegging van gedaagde om de boete te crediteren.

Verder oordeelde de Raad dat appellant geen belang had bij een inhoudelijke uitspraak over de loonopgaven en dat hij als natuurlijk persoon geen aanspraak kon maken op proceskostenvergoeding. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesueel belang.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/4382 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], h.o.d.n. [naam bouwbedrijf], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Dordrecht op 17 juni 2005 onder kenmerk 04/110 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich zoals tevoren schriftelijk bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.
??. MOTIVERING
Bij besluit van 29 april 2003 is aan appellant een boete opgelegd over het jaar 2002 in verband met het overtreden van de zogenoemde 5 % regeling. Bij het op bezwaar genomen besluit van 22 december 2003 is het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde veroordeeld in betaling van het griffierecht aan appellant. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat appellant in de eerste helft van 2002 geen periodieke loonopgaven heeft gedaan bij gedaagde en gaat daarbij voorbij aan de stelling van appellant dat hij wel periodieke loonopgaven zou hebben verstrekt aan het SFB. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op het door appellant in bezwaar overgelegde overzicht van periodieke loonopgaven.
In hoger beroep heeft appellant betoogd het niet eens te zijn met de overweging van de rechtbank ten aanzien van het verstrekken van periodieke loonopgaven aan het SFB en het niet toekennen van een proceskostenveroordeling. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de rechtbank gedaagde ten onrechte niet heeft veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte opgelegde boete.
De Raad is van oordeel dat appellant niet in zijn beroep tegen de aangevallen uitspraak kan worden ontvangen en overweegt daartoe, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 mei 2002, LJN AE4030, tevens gepubliceerd in USZ 2002/248, dat de rechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen is geroepen indien nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. In aanmerking genomen dat gedaagde in het verweerschrift heeft toegezegd de opgelegde boete te zullen crediteren, is er naar het oordeel van de Raad geen sprake meer van een geschil tussen partijen. In dit kader overweegt de Raad voorts dat, wat er ook zij van de grief van appellant dat hij wel degelijk periodieke loonopgaven heeft verstrekt aan het SFB, dit niet kan leiden tot het oordeel dat appellant belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak van de Raad, nu de rechtbank voldoende gronden aanwezig heeft geacht om tot een vernietiging van het bestreden besluit te komen. De Raad acht dat belang ook niet gelegen in een veroordeling in de proceskosten aangezien appellant als natuurlijk persoon op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor een vergoeding van die kosten in aanmerking komt.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant, wegens het ontbreken van processueel belang, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
???. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.