ECLI:NL:CRVB:2006:AW2543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken verzekering voor Algemene Kinderbijslagwet op peildatum
Appellante, gehuwd met een Nederlander en sinds januari 2002 in Nederland verblijvend met haar dochter, verzocht kinderbijslag per 17 februari 2003. De Sociale Verzekeringsbank weigerde dit omdat zij op de peildatum 1 april 2003 niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), met name omdat zij nog geen ingezetene was. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad overwoog dat de juridische binding van appellante met Nederland zwak was, gezien de beperkte verblijfsvergunning en het feit dat zij op de peildatum nog geen zekerheid had over voortgezet verblijf. Daarnaast ontbrak een economische binding omdat zij nog geen zelfstandige woonruimte had en afhankelijk was van een bijstandsuitkering. Ook de sociale binding was onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.
Appellante beriep zich op artikel 10 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, dat verzekeringsrecht kan geven aan vreemdelingen die een aanvraag tot voortgezet verblijf hebben ingediend. De Raad oordeelde echter dat dit niet opging omdat zij op de peildatum niet in Nederland woonde in de zin van de AKW. De aangevallen uitspraak werd daarom bevestigd en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellante op de peildatum niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet.