ECLI:NL:CRVB:2006:AW2951

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/3931 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering weduwe vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende verband met vervolging

Appellante, weduwe van een persoon van Joodse afkomst die tijdens de Duitse bezetting vervolging heeft ondergaan, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd afgewezen door de Pensioen- en Uitkeringsraad, omdat het medisch advies geen voldoende causaal verband aantoonde tussen de oorlogservaringen en het overlijden van betrokkene.

De Raad overwoog dat het overlijden van betrokkene het gevolg was van een hartstilstand met onderliggende aandoeningen zoals hypertensie, nierfalen en diabetes mellitus, welke niet gerelateerd konden worden aan de vervolging. Ook de verklaring van een tandarts over PTSD werd niet als voldoende bewijs gezien, mede omdat betrokkene niet ten tijde van overlijden een uitkering genoot op basis van vervolgingsgerelateerde klachten.

De Raad concludeerde dat appellante geen recht had op de gevraagde uitkering en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 april 2006.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering bevestigd.

Uitspraak

05/3931 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], USA, (hierna: appellante),
en
Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 6 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [dochter] (dochter van appellante) beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 maart 2005, kenmerk JZ/Z60/2005/0166, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die is geboren op 15 juni 1917 en op 13 augustus 2002 is overleden. De aanvraag is gebaseerd op de omstandigheid dat betrokkene (van Joodse afkomst) tijdens de Duitse bezetting van Nederland vervolging heeft ondergaan en dat de stress tengevolge van zijn oorlogservaringen en het verlies van zijn verwanten zijn gezondheidsproblemen mede zouden hebben veroorzaakt.
Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 9 november 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gewijzigd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet.
De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet heeft recht op een uitkering de weduwe van de vervolgde van wie het overlijden redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven.
Het bestreden besluit is met betrekking tot de toepassing van het zojuist genoemde voorschrift in overeenstemming met het medische advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Uit dit advies - dat mede is gebaseerd op informatie afkomstig van de artsen die betrokkene hebben behandeld - komt naar voren dat betrokkene is overleden aan de gevolgen van een hartstilstand, waarbij secundair een rol speelden hypertensie, nierfalen en diabetes mellitus. De geneeskundig adviseur is van oordeel dat die aandoeningen, evenals de darmkanker waaraan betrokkene leed, gelet op de aard daarvan niet in verband zijn te brengen met de ondergane vervolging.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit medisch advies deugdelijk gemotiveerd.
Aangezien voorts op grond van de stukken niet is gebleken dat betrokkene ten tijde van zijn overlijden in het genot was van enige uitkering die verband hield met ziekten of gebreken die wel met de vervolging in verband staan, kan appellante evenmin aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet recht op de gevraagde uitkering ontlenen.
Aan het vorenstaande kan niet afdoen de verklaring van J.M. Kirby, tandarts en buurman van betrokkene, dat betrokkene zijns inziens in ernstige mate aan PTSD leed, aangezien niet is gebleken dat hij als gevolg daarvan is overleden of dat hij op basis daarvan ten tijde van zijn overlijden een uitkering genoot.
Overigens maakt de van de kant van appellante eveneens overgelegde verklaring van de arts J.A. Edwards, die betrokkene jarenlang behandeld heeft, alleen melding van lichamelijke klachten en direct daarmee samenhangende psychische problematiek en niet van vervolgingsgerelateerde klachten.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
9.03