ECLI:NL:CRVB:2006:AW3238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1668 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Abw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering wegens overschrijding vrij te laten vermogen door auto

Appellante ontving sinds 1998 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet. Uit onderzoek bleek dat zij vanaf maart 2003 een Mitsubishi Spacestar op haar naam had staan, met een waarde van ruim €17.000, waarvoor zij ook de belasting en verzekering betaalde. Het College beëindigde daarom haar bijstandsuitkering per 1 november 2003 wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het kentekenbewijs op haar naam de veronderstelling rechtvaardigt dat de auto tot haar vermogen behoort. Appellante slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken, mede omdat zij geen bewijs leverde dat de door haar betaalde kosten aan een ander waren terugbetaald.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de waarde van de auto op de datum in geding het vrij te laten vermogen overschreed. Er was geen bewijs van schulden die de waarde van de auto zouden verminderen. De Raad bevestigde de uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen door de waarde van de auto.

Uitspraak

05/1668 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2005, 04/2134 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).
Datum uitspraak: 11 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor appellante is verschenen mr. Van Daalhuizen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt sinds september 1998 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Uit onderzoek van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam Rotterdam is gebleken dat appellante vanaf 14 maart 2003 het kenteken van een nieuwe auto, een Mitsubishi Spacestar, op haar naam had staan. Deze auto is gekocht voor een bedrag van ruim € 17.000,--. Uit bankafschriften van appellante is tevens gebleken dat zij zowel de belasting als de verzekering voor deze auto betaalt.
Het College heeft hierin onder meer aanleiding gezien om bij besluit van 20 november 2003 het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 november 2003 te beëindigen.
Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het College het tegen het besluit van 20 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft het College daartoe overwogen dat
- samengevat - de waarde van de auto op 1 november 2003 het vrij te laten vermogen bedoeld in artikel 54, aanhef en onder b, van de Abw overschrijdt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voorzover hier van belang, het volgende overwogen (waar appellante is aangeduid als eiseres en het College als verweerder):
“Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de veronderstelling dat deze auto een bestanddeel van het vermogen van die betrokkene vormt waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.
Eiseres heeft niet bestreden dat het kentekenbewijs van de Mitsubishi op
1 november 2003 op haar naam is gesteld. Uit de stukken en het ter zitting behandelde blijkt voorts dat de Mitsubishi een waarde vertegenwoordigde die het vrij te laten vermogen overschreed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van deze auto in de periode tussen 14 maart 2003 (de datum waarop de Mitsubishi op eiseres naam is gezet) en 1 november 2003 (de datum in geding) zodanig was afgenomen dat die waarde op de laatstgenoemde datum beneden de vermogensgrens lag.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd aan te tonen dat de Mitsubishi op de datum in geding geen bestanddeel vormde van haar vermogen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij aan de verklaring van [betrokkene] niet de betekenis toekent die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. Deze verklaring is immers niet meer dan een schriftelijk vastlegging van mededelingen die [betrokkene] ten overstaan van de notaris heeft gedaan, zonder dat de notaris de juistheid van die mededelingen heeft kunnen verifiëren. Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres niet heeft aangetoond dat [betrokkene] de door eiseres betaalde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies aan haar heeft terugbetaald. Tenslotte onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat het kenteken van de auto op 13 november 2003 op naam is gesteld van Van der Pluijm, er niet aan afdoet dat de auto op 1 november 2003 nog wel deel uitmaakte van eiseres vermogen.”.
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad was op 1 november 2003 de waarde van de auto nog zodanig dat het toepasselijk vrij te laten vermogen op die datum werd overschreden. Van schulden waarbij bij de bepaling van de waarde van de auto nog rekening zou moeten worden gehouden, zoals in hoger beroep is aangevoerd, is niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.
RB2703