Wat de brief van Crijns betreft heeft de rechtbank overwogen dat die brief wat ongelukkig is geformuleerd, maar dat het te ver gaat om het Uwv aan die brief te binden. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat, waar appellant stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is, bezwaarlijk kan worden gezegd dat met indeling in de klasse 45-55% aan zijn wensen zou zijn tegemoet gekomen, zodat ook in dat opzicht van gewekte verwachtingen geen sprake is.
De Raad deelt dat oordeel van de rechtbank. De brief van Crijns is ingegeven door de situatie dat aan appellant per
27 februari 2001 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% was toegekend, appellant als gevolg van toegenomen beperkingen van de rug na een valpartij per 16 januari 2002 zou worden (bij besluit van 25 februari 2002 per die datum en bij besluit van 23 december 2002 nader per 7 januari 2002 is) ingedeeld in de klasse 80% of meer en bij herbeoordeling zal worden bepaald of en in hoeverre sprake is van wijziging van de blijvende beperkingen. Vervolgens heeft Crijns geschreven: "Een nieuwe beoordeling door de arbeidsdeskundige kan aan de orde komen. Blijkt er volledig herstel, dan zal indeling in de klasse 45-55% weer aan de orde zijn.".
Niet onvoorstelbaar is dat appellant zich door deze brief, die inderdaad door de wat ongelukkige formulering tot misverstanden aanleiding kan geven, enigszins op het verkeerde been voelt gezet. Echter, het gaat ook de Raad te ver om louter op basis van de inhoud van die brief aan te nemen dat appellant - hoewel van mening per de datum in geding volledig arbeidsongeschikt te zijn - daaraan de gerechtvaardigde, door het Uwv met indeling per de datum in geding in de klasse 45-55% te honoreren verwachting kon ontlenen. Het kan zijn dat de brief van Crijns bij appellant de subjectieve verwachting heeft doen ontstaan, maar het gaat erom of die gestelde, aldus ontstane subjectieve verwachting ook door het Uwv had behoren te worden gehonoreerd en voor dat laatste is (aanmerkelijk) meer nodig dan slechts de ontstane subjectieve verwachting.
Indien op louter medische gronden arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen, dan gaat het om volledige arbeids- ongeschiktheid en pleegt reeds zonder inschakeling van een arbeidsdeskundige indeling in de klasse 80% of meer te volgen. Indien het, zoals in het thans aanhangige geval, gaat om indeling in een lagere klasse, dan geschiedt dat niet op louter medische gronden en wordt ter bepaling van de juiste klasse een arbeidsdeskundige ingeschakeld. Dat laatste had appellant redelijkerwijs kunnen en dus moeten begrijpen. Waar Crijns heeft geschreven dat bij volledig herstel indeling in de klasse 45-55% weer aan de orde zal zijn, begrijpt de Raad dat bij volledig herstel (van de gevolgen van de val die tot indeling per 16 en nader per 7 januari 2002 in de klasse 80% of meer heeft geleid) op medische en arbeidskundige gronden zal worden beoordeeld of appellant in aanmerking komt voor wederom indeling in de voordien gehanteerde klasse 45-55% dan wel in een hogere of lagere klasse. Ook bij gelijk gebleven medische omstandigheden en bij handhaving van het op
27 november 2000 vastgestelde belastbaarheidspatroon dat ten grondslag heeft gelegen aan het na arbeidskundige beoordeling op en per 19 december 2001 indelen in de klasse 45-55%, kan een arbeidskundige beoordeling per een latere datum - in dit geval 27 januari 2003 - als gevolg van andere in het functie informatie systeem (FIS) opgenomen voorbeeldfuncties dan ruim een jaar eerder leiden tot indeling in een andere, mogelijk lagere klasse dan 45-55%. Hierbij komt dat naar het oordeel van de Raad met het (na volledig herstel) weer aan de orde zijn van indeling in de klasse 45-55% niet zonder meer is (toe-)gezegd dat dan ook indeling in de klasse 45-55% zal plaatsvinden.