ECLI:NL:CRVB:2006:AW3538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens arbeidsvermogen per 1 december 2000
In deze zaak stond centraal de vraag of betrokkene op 1 december 2000 nog recht had op een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Appellanten voerden aan dat betrokkene door ziekte en gebrek niet in staat was om zijn eigen werk of enig ander werk te verrichten. Ter onderbouwing werden medische verklaringen van een internist en huisarts overgelegd.
De rechtbank had echter geoordeeld dat de beperkingen van betrokkene juist waren vastgesteld door de bezwaarverzekeringsartsen en dat hij met deze beperkingen wel in staat was om de maatgevende arbeid te verrichten. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde vast dat het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen was uitgevoerd.
De Raad overwoog dat de medische informatie die een verslechtering van de gezondheidssituatie van betrokkene suggereerde, betrekking had op een periode na de datum in geding en daarom niet relevant was voor de beoordeling. Ook werden psychische beperkingen niet onderschat, waarbij werd gewezen op het staken van medicatie en het ontbreken van verdere behandeling.
Op grond van deze overwegingen werd het besluit van het UWV tot intrekking van de WAO-uitkering per 1 december 2000 bevestigd, waarmee het hoger beroep van appellanten werd verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 1 december 2000 wordt bevestigd omdat betrokkene toen in staat was maatgevende arbeid te verrichten.