Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1533 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering per 28 mei 2001, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht had toegekend aan medische verklaringen, waaronder die van een medisch adviseur en een psychiater, die haar arbeidsongeschiktheid bevestigden. De arbeidsdeskundige stelde echter vast dat appellante ongeschikt was voor haar eigen werk als bloemenplukster, maar geschikt voor andere functies binnen haar belastbaarheidspatroon.

De Raad oordeelde dat het UWV terecht andere passende functies had geselecteerd en dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van de situatie op de peildatum 28 mei 2001. De latere medische verklaringen konden het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/1533 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2004, 02/4993 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 21 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld bij brief van 12 oktober 2005.
De gemachtigde van appellante heeft bij schrijven van 14 januari 2005, 28 januari 2005 en 20 februari 2006 een aantal stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H Smithuysen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 juni 2001 is aan appellante per 28 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat zij na voltooiing van de wachttijd van 52 weken, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 9 oktober 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juni 2001 ongegrond verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In dit geding is aan de orde of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 28 mei 2001 (de in geding zijnde datum) heeft vastgesteld op minder dan 15%.
In hoger beroep is namens appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de door appellante in beroep overgelegde medische verklaringen. Uit die stukken blijkt dat appellante arbeidsongeschikt is. Huisarts/medisch adviseur drs. W. Ch. Völke (niet de eigen huisarts van appellante) heeft duidelijk gezegd dat appellante niet geschikt is om haar eigen werk als bloemenplukster te verrichten. Bij het onderzoek naar de beperkingen van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen rekening gehouden met de actuele gezondheidstoestand van appellante en met de recente medische gegevens, aldus de gemachtigde van appellante.
De grieven van appellante worden door de Raad niet onderschreven. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts M.C. Wijnen en de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever. Wijnen heeft appellante zelf onderzocht en informatie ingewonnen bij het Slotervaart ziekenhuis, alwaar appellante onder orthopedische behandeling was. Wijnen heeft vervolgens de voor appellante geldende beperkingen vastgesteld in het belastbaarheidspatroon. Wever heeft zich blijkens het rapport van 23 september 2002 volledig met dit belastbaarheidspatroon kunnen verenigen. Het is de Raad niet gebleken dat het onderzoek naar de beperkingen van appellante onnauwkeurig of onjuist is verricht of dat appellante meer of anders beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen.
De Raad ziet - anders dan appellante bepleit - niet in dat de bezwaarverzekeringsarts rekening had moeten houden met de medische situatie ten tijde van het onderzoek en niet (alleen) met de bijna anderhalf jaar daarvoor liggende datum in geding. De onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft betrekking op de datum 28 mei 2001, zodat door de bezwaarverzekeringsarts terecht geen rekening is gehouden met de medische toestand van appellante op een later tijdstip.
De arbeidsdeskundige A.W. Brom heeft appellante ongeschikt geacht voor haar eigen werk als bloemenplukster, maar haar wel geschikt geacht om andere functies te vervullen die vallen binnen de grenzen van het opgestelde belastbaarheids- patroon en waarmee zij geen verlies aan verdiencapaciteit heeft. De Raad acht dan ook de arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling juist.
De stelling van appellante dat de schatting op ondeugdelijke gronden is gebaseerd omdat Völke van mening is dat appellante 100% arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk als bloemenplukster snijdt geen hout, reeds omdat het Uwv met appellante en Völke van mening is dat appellante niet in staat is de werkzaamheden verbonden aan de functie bloemenplukster te verrichten en juist om die reden andere, haar wel passende functies heeft geselecteerd.
Appellante heeft in hoger beroep nog ingebracht een verklaring van de appellante sinds mei 2004 behandelende psychiater D. Balraadjsing van 15 oktober 2004, die heeft verklaard dat appellante in mei 2001 als gevolg van toenemende knieklachten en neerslachtige stemmingen haar werk niet meer kon doen. Reeds omdat deze verklaring uitsluitend ziet op haar eigen werk en voorts niet spoort met de verklaringen van de eigen huisarts van appellante die tot in 2002 geen melding heeft gemaakt van psychische klachten van appellante, kan deze verklaring niet bijdragen aan het standpunt van appellante.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huusen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.