ECLI:NL:CRVB:2006:AW4595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling maatmaninkomen en geselecteerde functies
Betrokkene ontving sinds januari 2001 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingetrokken met ingang van december 2001, omdat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Maastricht verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, met name vanwege onduidelijkheid over de geschiktheid van geselecteerde functies die in wisselende diensten worden verricht.
In hoger beroep richtte het Uitvoeringsinstituut zich uitsluitend op de arbeidskundige beoordeling van de functies. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de medische beoordeling niet meer in geschil was en dat de functies met toeslag voor afwijkende werktijden passend waren voor betrokkene. Uit vergelijking van de loonwaarde van de functies met het maatmaninkomen bleek het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15%, wat rechtvaardigt dat de WAO-uitkering terecht werd ingetrokken.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt dat het werken in wisselende diensten niet automatisch betekent dat een toeslag in de loonwaarde van functies is inbegrepen en dat de maatmaninkomenberekening een kleine toeslag voor afwijkende werktijden bevatte.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.