ECLI:NL:CRVB:2006:AW4870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant, voormalig zelfstandig ICT-ondernemer, vroeg in april 2002 een WAZ-uitkering aan wegens psychische klachten die sinds juni 1998 speelden. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat appellant op 11 april 2001 geschikt was voor zijn eigen werk en derhalve niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ.
Appellant voerde aan dat het UWV de omvang van de maatman en het maatmaninkomen onjuist had vastgesteld, en dat de ingangsdatum van de uitkering onterecht was vastgesteld omdat hij niet eerder een aanvraag kon indienen. De Raad oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist waren en dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk.
De Raad bevestigde dat het UWV het bezwaar van appellant terecht ongegrond had verklaard en dat het beginsel dat iemand door het instellen van bezwaar niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren correct was toegepast. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een eerdere aanvraag rechtvaardigden.
De uitspraak bevestigt dat bij zelfstandigen in beginsel wordt uitgegaan van geschiktheid voor eigen werk tenzij anders is aangetoond, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder een uitkering had kunnen aanvragen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Leeuwarden wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant op 11 april 2001 niet arbeidsongeschikt was en wijst het hoger beroep af.