ECLI:NL:CRVB:2006:AW6749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in februari 1943 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode. De aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat zij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
De Raad overwoog dat de omstandigheden waaronder appellante leefde, waaronder slechte leefomstandigheden, huiszoekingen waarbij zij niet het doelwit was, en het gedrag van haar vader, niet kwalificeren als directe handelingen of maatregelen door of namens de vijandelijke bezettende macht. Ook de algemene gevolgen van oorlog zoals voedseltekort en gebrek aan medische zorg vallen niet onder de werking van de Wet.
De Raad concludeerde dat appellante niet heeft aangetoond dat zij de specifieke oorlogsgebeurtenissen heeft ondergaan die vereist zijn voor erkenning als burgeroorlogsslachtoffer. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van getroffen zijn door oorlogsgeweld.