ECLI:NL:CRVB:2006:AW6892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het besluit van het UWV bevestigde om geen WAO-uitkering toe te kennen. Het UWV stelde dat appellante na 52 weken arbeidsongeschiktheid niet langer recht had op een WAO-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, gezien haar geschiktheid voor haar eigen werk.
De rechtbank had het oordeel van een door haar benoemde onafhankelijke psychiater gevolgd, die concludeerde dat appellante in staat was haar werkzaamheden als administratief medewerkster te verrichten. Appellante voerde aan dat deze deskundige slechts een oordeel had gegeven over haar gezondheidstoestand op de datum van het onderzoek en niet op de datum in geding, en dat een andere door haar ingeschakelde psychiater tot een andere conclusie was gekomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de door de rechtbank benoemde deskundige volledig en zorgvuldig was, gebaseerd op eigen onderzoek en alle relevante medische stukken, inclusief het rapport van de door appellante ingeschakelde deskundige. De Raad volgde het standpunt dat de deskundige zijn oordeel ook op de datum in geding heeft gegeven en dat het uitgangspunt is het oordeel van een onafhankelijke deskundige te volgen, tenzij zwaarwegende redenen dit verhinderen.
Daarom werd het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak bevestigd en werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad concludeerde dat appellante geschikt is om haar eigen werk te verrichten en dus geen recht heeft op WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en daarom geen recht heeft op WAO-uitkering.