Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AW7297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5656 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de verzetstermijn in socialezekerheidszaak

Appellante heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar dit verzet is niet tijdig ingediend. De wettelijke termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken, ingaande de dag na bekendmaking van de uitspraak. Hoewel het verzetschrift per post werd verzonden op 20 april 2005, was dit na de uiterste datum van 6 april 2005.

De Raad heeft overwogen dat appellante geen gegronde redenen of bewijsstukken heeft aangevoerd die het verzuim kunnen rechtvaardigen. De termijn en de gevolgen van overschrijding waren duidelijk vermeld in de oorspronkelijke uitspraak. Appellante heeft pas na ontvangst van een schrijven waarin werd aangegeven dat geen verzet was gedaan, alsnog een verzetschrift ingediend.

Gezien het voorgaande verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzet niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door H. Bolt en uitgesproken op 26 april 2006.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzetstermijn.

Uitspraak

04/5656 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 september 2004, 02/291 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 26 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 23 februari 2005 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad welke is verzonden op 23 februari 2005 heeft appellante bij schrijven van 19 april 2005, welke op 21 april 2005 ter griffie is ontvangen, verzet gedaan. Blijkens de postdatumstempel is het verzetschrift 20 april 2005 ter post bezorgd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
In de op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet, is bepaald dat de termijn voor het indienen van een verzetschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de uitspraak door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een verzetschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een verzetschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Op grond van de in rubriek I vermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het verzetschrift niet tijdig is ingediend, omdat het, gelet op het voorgaande, uiterlijk op
6 april 2005 ter post had moeten zijn bezorgd.
Ten aanzien van een na afloop van de verzetstermijn ingediend verzetschrift blijft
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd, bevat geen door bewijsstukken onderbouwde redenen op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat in genoemde uitspraak duidelijk is vermeld binnen welke termijn een verzetschrift kan worden ingediend. Appellante heeft eerst na ontvangst van het schrijven van de Raad waarin wordt aangegeven dat er geen verzet is gedaan een verzetschrift ingediend.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
SG
24/4