ECLI:NL:CRVB:2006:AW7775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Concubinaat als familieverhouding in sociale verzekeringswetgeving
Betrokkene, eigenaar van een tandartspraktijk, betaalde buiten de loonadministratie werkzaamheden aan zijn partner [M.], met wie hij sinds 1988 samenwoont en sinds 2000 een samenlevingsovereenkomst heeft. Appellant stelde dat deze arbeidsverhouding gelijkstond aan een dienstbetrekking en nam verzekeringsplicht aan. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat concubinaat als familieverhouding moet worden beschouwd, waardoor verzekeringsplicht niet van toepassing is.
Appellant stelde in hoger beroep dat concubinaat niet als familieverhouding kan worden aangemerkt, maar de Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat de maatschappelijke en juridische opvattingen over samenwonen zijn veranderd, waardoor de eerdere jurisprudentie niet meer houdbaar is. De Raad oordeelde dat de term familieverhouding in het Koninklijk Besluit breder moet worden uitgelegd dan alleen gehuwden en bloedverwanten.
De Raad veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten aan betrokkene en wees het hoger beroep af, waarmee het besluit van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van appellant wordt vernietigd omdat concubinaat als familieverhouding moet worden beschouwd.