Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AW7868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/354 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 TWArt. 8:75 AwbWet boeten, maatregelen, terug- en invordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag volgens Toeslagenwet

Appellant ontving sinds 6 april 1994 een toeslag als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme tip in 1997 heeft het UWV in 2001 onderzoek gedaan waaruit bleek dat de minderjarige dochter van appellant sinds 1993 bij haar moeder woonde, die ook kinderbijslag ontving. Appellant had op de inlichtingenformulieren echter aangegeven dat het kind bij hem woonde en dat hij kinderbijslag ontving.

De rechtbank had het besluit van het UWV tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat bij de aflossing van het terugvorderingsbedrag geen rekening was gehouden met zijn aanvullende ziekenfondspremie en schuld bij de FBTO, en dat het UWV te lang had gewacht met het onderzoek, waardoor de terugvordering beperkt zou moeten worden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV verplicht is onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen en dat het stilzitten van het bestuursorgaan geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. De argumenten van appellant over vrijwillige verzekering en schuld aan de FBTO bieden geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag en wijst het beroep van appellant af.

Uitspraak

04/354 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2003, 02/3009 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv),
Datum uitspraak: 28 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving als alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar sedert 6 april 1994 een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW).
Naar aanleiding van een anonieme tip, gedateerd 22 juli 1997, heeft het Uwv in 2001 onderzoek verricht waaruit naar voren kwam dat appellants dochter sinds het derde kwartaal 1993 bij de moeder woonachtig was die ook kinderbijslag voor dit kind ontving.
Op de jaarlijkse inlichtingenformulieren had appellant vanaf de toekenning van de toeslag ingevuld dat zijn minderjarige dochter bij hem woonde en dat hij ook kinderbijslag voor haar ontving.
Na een onderzoek heeft het Uwv de toeslag ingevolge de TW met terugwerkende kracht met ingang van 6 april 1994 beëindigd en de ten onrechte betaalde toeslag teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 23 mei 2002 heeft het Uwv zijn besluiten van 26 september 2001 tot terugvordering van de voor het tijdvak 1 augustus 1996 tot en met 31 augustus 2001 onverschuldigd betaalde toeslag van f 27.698.48 gehandhaafd. Tevens heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van
5 augustus 2001, strekkende tot verrekening met een bedrag van f 144,17 per maand.
Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant meegedeeld dat het beroep zich niet langer richt tegen de beëindiging van de toeslag nu aangetoond is dat hij geen kinderbijslag ontving.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in beroep herhaald dat er bij de aflossing van het terugvorderingbedrag geen rekening is gehouden met zijn aanvullende ziekenfondspremie en de schuld bij de FBTO. Voorts is hij van mening in zijn belang te zijn geschaad nu het Uwv zo lang gewacht heeft met het onderzoek naar aanleiding van de anonieme tip, zodat dit naar zijn mening aanleiding vormt de terugvordering te beperken tot de datum waarop het Uwv de anonieme tip ontving.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Met ingang van 1 augustus 1996 is, door de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering, de terugvordering niet langer een bevoegdheid van het Uwv, maar een verplichting. Dit houdt in dat in beginsel iedere onverschuldigd betaalde uitkering dient te worden teruggevorderd. In artikel 20 van Pro de TW, dat de bepalingen over de terugvordering van de onverschuldigde betaling bevat, is in het vierde lid bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niets heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat er dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering. Het Uwv heeft inderdaad lang geen actie ondernomen nadat de anonieme tip binnengekomen was, maar het stilzitten van het bestuursorgaan levert volgens vaste jurisprudentie geen dringende reden op.
De Raad schaart zich eveneens achter de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de vrijwillige verzekering en de schuld aan de FBTO.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.