ECLI:NL:CRVB:2006:AW7932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van premieafdracht bij ploegendienst in de off shore-sector
De zaak betreft hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake premieafdracht door twee betrokken ondernemingen werkzaam in de off shore-sector met ploegendienst.
Betrokkenen stelden dat er te veel loondagen in aanmerking waren genomen bij de premieafdracht, gebaseerd op een eerdere uitspraak van de Raad uit 2001. De rechtbank had de premienota’s voor 2002 deels herzien en de weigering tot herziening van nota’s over eerdere jaren vernietigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het interne onderzoek van betrokkenen aantoont dat er geen kalenderweken zijn zonder arbeid, waardoor de premienota’s juist vijf loondagen per week hanteren conform artikel 9, vijfde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Tevens is artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel van toepassing op de nota’s van voor 2002, anders dan de rechtbank had geoordeeld.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraken en verklaart de beroepen ongegrond, waarmee de premienota’s gehandhaafd blijven. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de premienota’s blijven gehandhaafd.