ECLI:NL:CRVB:2006:AX1614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- M.A. Hoogeveen
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op herleefde WW-uitkering na werkzaamheden als zelfstandige bij ex-werkgever
Appellant was sinds 1 januari 1999 in dienst bij zijn werkgever en kreeg bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toegekend. Na het einde van de arbeidsovereenkomst heeft appellant werkzaamheden verricht als zelfstandige, onder meer via een overeenkomst van opdracht met zijn voormalige werkgever en bij een andere firma.
Het UWV kende appellant een WW-uitkering toe met inachtneming van zijn zelfstandige werkzaamheden. Later besloot het UWV dat appellant geen recht had op een (gedeeltelijk) herleefde WW-uitkering omdat hij niet als beginnende zelfstandige werd aangemerkt en zijn werkzaamheden bij de ex-werkgever langer dan zes maanden duurden.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant zijn werknemerschap had verloren door zijn zelfstandige werkzaamheden, dat hij niet als beginnende zelfstandige kon worden aangemerkt omdat hij al sinds 1991 als zelfstandige stond ingeschreven, en dat de termijn voor herkrijging van het werknemerschap was verstreken. Hierdoor was geen recht op herleving van de WW-uitkering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op een (gedeeltelijk) herleefde WW-uitkering wordt ontzegd.