ECLI:NL:CRVB:2006:AX1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WW- en ZW-dagloon na nabetaling en arbeidsduurgeschil
Appellante verzocht de herziening van haar WW- en ZW-dagloon naar aanleiding van een nabetaling van €1800 door haar voormalige werkgever, die volgens haar neerkwam op een hogere gemiddelde arbeidsduur van 37,2 uur per week in plaats van 32 uur. Het UWV had het dagloon herzien op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per week en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor een hogere arbeidsduur.
In hoger beroep stelde appellante dat de nabetaling en urenoverzichten van de werkgever een hogere arbeidsduur aantonen en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. De Raad oordeelde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot herziening en dat de vaststelling van 32 uur per week redelijk was, gezien de aangeleverde gegevens onvoldoende waren om de hogere arbeidsduur te onderbouwen.
Met betrekking tot het ZW-dagloon, dat was herzien in lijn met het WW-dagloon, stelde appellante geen zelfstandige beroepsgronden aan. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het ZW-dagloon correct was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het dagloon op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per week en wijst het hoger beroep af.