ECLI:NL:CRVB:2006:AX2003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van de Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van anticumulatie en middeling zelfstandigen
Appellant stelde in hoger beroep dat bijzondere omstandigheden het UWV hadden moeten bewegen om de herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 januari 1998 achterwege te laten, omdat zijn gezondheid per die datum zou zijn verslechterd en hij pas in maart 2000 zijn zelfstandige activiteiten beëindigde.
De Raad overwoog dat het UWV van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 de anticumulatiebepaling uit artikel 33, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) correct had toegepast. De formele rechtskracht van die beslissingen staat vast. Appellants stelling van verslechterde gezondheid was niet onderbouwd met medische stukken en hij bleef feitelijk tot 2000 als zelfstandige werken.
Daarom was het UWV op grond van artikel 58, tweede lid, van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) terecht uitgegaan van passend werk per 1 januari 1998 en heeft het de mate van arbeidsongeschiktheid op die basis vastgesteld.
De Raad bevestigde dat middeling van inkomsten van zelfstandigen over een langere periode passend is vanwege fluctuaties, analoog aan de rechtspraak over maatmaninkomen. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijkende berekening rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 januari 1998.