Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AX2050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/6928 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 78 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit vaststelling gedifferentieerde premie WAO ondanks beroep op gelijkheidsbeginsel

Appellante, Horeca Exploitatie Maatschappij, stelde beroep in tegen het besluit van 15 april 2005 waarbij het bezwaar tegen de vastgestelde gedifferentieerde premie WAO van 4,75% werd afgewezen. Zij voerde aan dat de premie-differentiatie onevenredig nadelig uitpakt voor werkgevers met een stijgende loonsom, wat in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij deze overwegingen en verwijst naar vaste jurisprudentie waarin soortgelijke klachten zijn afgewezen, waaronder uitspraken uit 2001, 2005 en 12 mei 2005.

De Raad stelde het onderzoek ter zitting achterwege na toestemming van partijen en oordeelde dat er geen gronden zijn voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, waarmee het beroep van appellante wordt verworpen.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt verworpen en het besluit tot vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6928 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
Horeca Exploitatie Maatschappij [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2005, kenmerk 05/3626 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 4 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben toestemming gegeven onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Gelet op de door partijen gegeven toestemming sluit de Raad het onderzoek.
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
De door appellante in 2005 verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO is bij besluit van
6 december 2004 vastgesteld op 4,75%. Bij besluit van 15 april 2005 is het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 april 2005 ongegrond verklaard.
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen omdat daarbij, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, het beroep op het gelijkheidsbeginsel is verworpen. Appellante stelt zich op het standpunt dat de effecten van de premie-differentiatie groter zijn voor werkgevers met een stijgende loonsom, zoals appellante, in vergelijking met werkgevers met een gelijkblijvende of dalende loonsom. Appellante acht dit in strijd met het bepaalde in artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Aan de door de rechtbank al vermelde jurisprudentie voegt de Raad nog toe de in USZ 2001/197 en USZ 2005/158 gepubliceerde uitspraken van 20 juli 2001 respectievelijk 24 februari 2005 en de uitspraak van 12 mei 2005, LJN AT6264. Uit deze jurisprudentie volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A. Kovács.