ECLI:NL:CRVB:2006:AX6448

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5840 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 44 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 7:1 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen besluit Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellante, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, stelde beroep in tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin haar bezwaar tegen de berekeningsbeschikking over 2003 werd afgewezen.

Het bezwaar betrof de korting op haar periodieke uitkering vanwege toegerekende vermogensinkomsten en een verzoek tot vermindering van het vastgestelde vermogen op grond van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet. De Raad oordeelde dat het besluit over dit verzoek een primair besluit is waartegen eerst bezwaar had moeten worden gemaakt.

Daarom verklaarde de Centrale Raad het beroep niet-ontvankelijk en zond het beroepschrift door aan de verweerster ter behandeling als bezwaarschrift. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eerst bezwaar tegen het primaire besluit had moeten worden ingesteld.

Uitspraak

05/5840 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], Australië (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 22 juli 2005, kenmerk JZ/S80/2005, door verweerster te haren aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Aldaar is namens appellante verschenen
mr. C.P.R.M. Dekker, advocaat te Den Haag, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.
Blijkens de gedingstukken heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen de berekeningsbeschikking van 31 oktober 2004, bij welke beschikking de appellante over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering definitief is vastgesteld. Bij dit bezwaar heeft appellante grieven ingebracht over de korting die op haar periodieke uitkering was toegepast ingevolge aan haar toegerekende vermogensinkomsten. Tijdens de bezwaarprocedure is namens appellante bij verweerster tevens het verzoek ingediend om met toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet het voor haar vastgestelde, voor korting op de periodieke uitkering in aanmerking te nemen, vermogen te verminderen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster het ingediende bezwaar ongegrond verklaard. In dit verband is tevens het verzoek om het vastgestelde vermogen met toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet te verminderen afgewezen.
In beroep tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de afwijzing van haar verzoek om toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet. Ter zitting is bevestigd dat het beroep zich daartoe beperkt.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet is bepaald dat - behoudens toeval van vermogen - wijziging van het vermogen geen aanleiding geeft tot herziening van het vastgestelde vermogen, tenzij het vermogen door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde generlei invloed heeft kunnen uitoefenen, zodanig is verminderd dat dit tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden.
De Raad heeft in vaste rechtspraak onderschreven het in zaken als de onderhavige door verweerster ingenomen standpunt dat toepassing van dit artikelonderdeel vanwege de bijzondere aard daarvan een separaat verzoek en separate besluitvorming vereist.
Dit standpunt kan in het nu voorliggende geval tot geen ander oordeel leiden dan dat de in het bestreden besluit vervatte beslissing over het, in bezwaar ingediende, verzoek om toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet een zogenoemd primair besluit is, waartegen ingevolge artikel 44 van Pro de Wet in verbinding met artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eerst het rechtsmiddel van bezwaar diende te worden aangewend.
Het voorgaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad zal voorts het bij hem ingediende beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb doorzenden aan verweerster ter behandeling als bezwaarschrift.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.