ECLI:NL:CRVB:2006:AX6468

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5839 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek huurbijdrage op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Appellante, erkend als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om een huurbijdrage voor haar nieuwe woning vanwege een noodgedwongen verhuizing in het kader van stadsvernieuwing. De verhuizing vond plaats omdat zij zich wegens haar psychische klachten niet langer tegen verhuizing kon verzetten en zij in haar vertrouwde buurt wilde blijven wonen.

Verweerster wees het verzoek af omdat de verhuizing niet medisch noodzakelijk werd geacht, maar het gevolg was van een stadsvernieuwingsproject. De Raad overwoog dat appellante lang in haar oude woning is blijven wonen, ook toen buren al vertrokken waren, en dat haar keuze voor de nieuwe duurdere woning niet voortkwam uit oorlogsgerelateerde klachten.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was gemotiveerd en dat appellante op grond van artikel 20 van Pro de Wet geen aanspraak op huurbijdrage kan maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om huurbijdrage wordt afgewezen wegens ontbreken van medische noodzaak.

Uitspraak

05/5839 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 31 augustus 2005, kenmerk JZ/Z70/2005, waarbij ten aanzien van haar toepassing is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr. W.J. Eusman, advocaat te Amsterdam, als haar raadsvrouwe. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren in mei 1941 te [woonplaats], is in 1976 door verweersters rechtsvoorganger erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat haar psychische klachten en haar lichamelijke klachten (te weten: status na tuberculose, meningitis met doofheid en evenwichtsstoornis) in het door de Wet gevorderd verband met de vervolging staan.
Bij een in maart 2005 ingekomen vervolgaanvraag heeft appellante aan verweerster verzocht om een huurbijdrage voor haar nieuwe woning te [woonplaats]. De reden die zij bij deze aanvraag aangeeft is dat zij in het kader van een stadsvernieuwingsproject noodgedwongen naar haar huidige veel te dure woning is verhuisd, omdat zij zich wegens haar causaal aanvaarde psychische klachten niet langer tegen verhuizing kon verzetten en zij in de haar vertrouwde buurt, de Baarsjes, wilde blijven wonen.
Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit d.d. 19 mei 2005, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat deze voorziening in verband met de psychische klachten van appellante niet medisch noodzakelijk wordt geacht.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
De Raad overweegt als volgt.
Het standpunt van verweerster dat een medische noodzaak tot verhuizing van de [straatnaam 1] naar het [straatnaam 2] in het geval van appellante niet aanwezig is, berust op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Volgens verweerster is de verhuizing naar een andere woning noodzakelijk geworden in het kader van een stadsvernieuwingsproject en niet het gevolg was van haar oorlogs-gerelateerde klachten. De Raad maakt uit de beschikbare gegevens op dat appellante als bewoonster lang in haar huis in de [straatnaam 1] is blijven wonen, zelfs toen al haar buren reeds verhuisd waren. Appellante heeft uiteindelijk de keuze gemaakt te verhuizen naar haar huidige woning met hogere huurkosten. De Raad is met verweerster van opvatting dat uit de gegevens blijkt dat de stadsvernieuwing heeft geleid tot de verhuizing naar het [straatnaam 2] en dat daaruit niet blijkt dat appellantes oorlogsgerelateerde klachten een rol hebben gespeeld bij deze verhuizing.
De Raad acht het oordeel in het bestreden besluit op grond van die adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.
De Raad is dan ook van oordeel dat verweerster terecht heeft verstaan dat appellante aan artikel 20 van Pro de Wet geen aanspraak op huurbijdrage kan ontlenen.
De Raad hecht er overigens aan op te merken dat in dit geschil niet aan de orde is de vraag of van appellante kan worden gevergd haar (te dure) woning aan het [straatnaam 2] op te geven voor een buiten de Baarsjes gelegen (goedkopere) woning.
Het vorenstaande brengt mee dat het door appellante ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.