ECLI:NL:CRVB:2006:AX6744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens voortzetting zelfstandige onderneming
Appellant vroeg met terugwerkende kracht een WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat hij laatstelijk als zelfstandige werkte en daardoor geen werknemer was in de zin van de WW. Appellant voerde aan dat hij na het ontslag van zijn enige werknemer per 1 november 2000 geen zelfstandige activiteiten meer ontplooide en dat hij als startende ondernemer moest worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn zelfstandige werkzaamheden volledig had gestaakt. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat appellant vanaf 13 juli 1998 als zelfstandige werkzaam was en dat deze werkzaamheden langer dan anderhalf jaar hebben geduurd, waardoor hij zijn werknemerschap niet herkreeg.
De Raad benadrukt dat volgens artikel 8, tweede lid, van de WW het werknemerschap alleen kan worden herkregen indien de zelfstandige werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang zijn beëindigd. Appellant heeft dit niet kunnen aantonen. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en blijft het besluit van het UWV in stand.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellant heeft zijn werknemerschap niet herkregen en krijgt geen WW-uitkering.