ECLI:NL:CRVB:2006:AX6799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling berekening dagloon bij heropening WAO-uitkering na werkhervatting
Appellante ontving tot 1 maart 2004 een WAO-uitkering gebaseerd op een dagloon van €153,38. Per die datum werd zij arbeidsgeschikt geacht en hervatte werkzaamheden bij haar werkgever, die zij op 10 maart 2004 staakte. Het UWV heropende de WAO-uitkering per 10 maart 2004 en stelde het dagloon vast op het niveau van de ingetrokken uitkering. Bij besluit werd het vervolgdagloon vastgesteld op €100,84.
Appellante voerde aan dat zij feitelijk een 40-urige werkweek had met een bruto maandsalaris van €4.001,50, wat een hogere dagloonberekening zou rechtvaardigen. De rechtbank Arnhem oordeelde echter dat het UWV terecht uitging van een 28-urige werkweek en het lagere salaris, omdat de stukken van de werkgever dit ondersteunden en appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een 40-urige werkweek was overeengekomen.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukt dat de beschikbaarheid voor 40 uur niet gelijkstaat aan een overeengekomen werkweek van 40 uur en dat appellante gedurende de korte werkhervattingsperiode niet voltijds heeft gewerkt. Tevens is van belang dat de functie die zij in deze periode uitoefende niet als haar gewoonlijk uitgeoefende beroep kan worden beschouwd in de zin van de dagloonregeling. Het beroep op een hogere dagloonberekening wordt afgewezen, mede gelet op het dervingsbeginsel uit artikel 14 van Pro de WAO.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon terecht heeft vastgesteld op basis van een 28-urige werkweek en een bruto maandsalaris van €2.801,50.