ECLI:NL:CRVB:2006:AX7220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.W. Schuttel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens vermoedelijke inkomsten uit arbeid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de schorsing van zijn WAO-uitkering door het UWV, welke schorsing was gebaseerd op een opsporingsonderzoek dat vermoedde dat appellant inkomsten uit arbeid genoot. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat het UWV op goede gronden tot schorsing had besloten.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en is van oordeel dat het opsporingsonderzoek voldoende grond bood voor het vermoeden dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten. Appellant betwistte dit, maar de Raad sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt de schorsing.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 mei 2006.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wegens vermoedelijke inkomsten uit arbeid wordt bevestigd.