ECLI:NL:CRVB:2006:AX7220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1620 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • J.W. Schuttel
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van WAO-uitkering op basis van vermoedelijke inkomsten uit arbeid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004, waarin het beroep van appellant tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond werd verklaard. Het Uwv had op 28 januari 2003 besloten om de WAO-uitkering van appellant te schorsen met ingang van 1 februari 2003, omdat er vermoedens bestonden dat appellant inkomsten uit arbeid had genoten die niet waren opgegeven. Appellant heeft deze schorsing betwist en stelde dat hij geen relevante inkomsten uit zijn besloten vennootschappen of eenmanszaak had ontvangen.

Tijdens de zitting op 3 maart 2006 is appellant verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. F.I. Piternella, terwijl het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker. De Centrale Raad van Beroep heeft de resultaten van het opsporingsonderzoek van het Uwv in overweging genomen, waaruit bleek dat er gegronde vermoedens waren dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden had besloten tot schorsing van de uitkering.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep van appellant geen doel trof. Er waren geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betekent dat er geen proceskostenveroordeling volgde. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, met J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2006.

Uitspraak

04/1620 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004, 03/1608 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering geschorst met ingang van 1 februari 2003.
Bij besluit van 7 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 28 januari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat bij het Uwv, gelet op de resultaten van het opsporingsonderzoek, het gegronde vermoeden kon bestaan dat appellant geen recht op uitkering meer had.
Appellant betwist dat hij relevante inkomsten uit zijn besloten vennootschappen, respectievelijk zijn eenmanszaak heeft genoten.
De Raad is van oordeel dat het opsporingsonderzoek genoegzame grond opleverde voor het vermoeden dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten.
De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten tot schorsing van de uitkering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.