ECLI:NL:CRVB:2006:AX7220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.W. Schuttel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Schorsing van WAO-uitkering op basis van vermoedelijke inkomsten uit arbeid
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004, waarin het beroep van appellant tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond werd verklaard. Het Uwv had op 28 januari 2003 besloten om de WAO-uitkering van appellant te schorsen met ingang van 1 februari 2003, omdat er vermoedens bestonden dat appellant inkomsten uit arbeid had genoten die niet waren opgegeven. Appellant heeft deze schorsing betwist en stelde dat hij geen relevante inkomsten uit zijn besloten vennootschappen of eenmanszaak had ontvangen.
Tijdens de zitting op 3 maart 2006 is appellant verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. F.I. Piternella, terwijl het Uwv werd vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker. De Centrale Raad van Beroep heeft de resultaten van het opsporingsonderzoek van het Uwv in overweging genomen, waaruit bleek dat er gegronde vermoedens waren dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden had besloten tot schorsing van de uitkering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep van appellant geen doel trof. Er waren geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betekent dat er geen proceskostenveroordeling volgde. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, met J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2006.