ECLI:NL:CRVB:2006:AX7435

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3852 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit dagloon WW en toekenning wettelijke rente en proceskosten

Appellant was tot 2 maart 2004 werkzaam bij een werkgever die failliet ging. Daarna werkte hij via een uitzendbureau tot 28 mei 2004. Het UWV stelde bij besluit het dagloon vast op €121,14 en hield geen rekening met vakantiebonnen. Na bezwaar en een rechtbankuitspraak die het besluit bevestigde, nam het UWV een nieuw besluit waarin het dagloon werd verhoogd naar €129,57 inclusief vakantiebonnen, met een nabetaling van €657,36.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het nieuwe besluit het eerdere besluit vervangt en dat appellant daardoor belang heeft bij vernietiging van het oude besluit. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling vanaf 31 mei 2004 en tot betaling van de proceskosten.

De Raad bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten met toestemming van partijen. De uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker op 1 juni 2006.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.

Uitspraak

05/3852 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 mei 2005, 04/1331 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 1 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 november 2005 heeft het Uwv een nader besluit ingezonden.
Namens appellant is hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Appellant is tot 2 maart 2004 werkzaam geweest bij [werkgever 1] te [vestigingsplaats]. In verband met het faillissement van die werkgever zijn de werkzaamheden beëindigd. Vanaf 3 maart 2004 is appellant via uitzendbureau [naam BV] als timmerman werkzaam geweest bij [werkgever 2]. Het dienstverband is per 28 mei 2004 beëindigd.
Het Uwv heeft appellant desgevraagd bij besluit van 16 juli 2004 met ingang van 31 mei 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 121,14.
Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien om bij de vaststelling van het dagloon rekening te houden met vakantiebonnen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad stelt allereerst vast dat het Uwv op 21 november 2005 een nieuw besluit heeft genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv het dagloon van appellant met ingang van 31 mei 2004 verhoogd naar € 129,57, inclusief een vakantierechtwaarde (vakantiebon) van € 25,68. Tevens is een nabetaling verricht over de periode van 31 mei 2004 tot en met 30 november 2004 ten bedrage van € 657,36. De Raad merkt dat besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu evenwel met dat besluit volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, dat besluit niet mede in zijn beoordeling betrekken.
De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 21 november 2005 geheel in de plaats is getreden van het besluit van
21 oktober 2004.
De vraag rijst of appellant thans nog belang heeft bij het op vernietiging van het bestreden besluit van 21 oktober 2004 gerichte beroep. De Raad beantwoordt die vraag onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 februari 1997, LJN ZB6628 bevestigend en stelt daartoe vast dat appellant heeft verzocht om toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb.
Nu het Uwv het besluit van 21 oktober 2004 niet langer handhaaft, heeft de rechtbank het beroep tegen dat besluit ten onrechte ongegrond verklaard. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, het beroep alsnog gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die door appellant is geleden, bestaande uit de wettelijke rente over de betaling van € 657,36, te rekenen vanaf 31 mei 2004.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 oktober 2004;
Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de schade zoals in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.