ECLI:NL:CRVB:2006:AX8391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding volgens de Algemene nabestaandenwet
Appellant ontving sinds 1988 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar een Anw-uitkering. De Sociale verzekeringsbank beëindigde deze uitkering per 1 mei 2002 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [R.].
De Raad beoordeelde objectief of sprake was van gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf en wederzijdse verzorging centraal staan. Uit inschrijving, verklaringen en huisbezoek bleek dat appellant en [R.] samenwoonden aan een adres te [woonplaats] vanaf medio april 2002. Het door appellant gestelde verblijf van [R.] in een caravan werd niet aannemelijk geacht.
Verder toonde de Raad aan dat er sprake was van wederzijdse verzorging, onder meer door het afsluiten van een ziektekostenverzekering en betaling van schulden door appellant. De Raad concludeerde dat de uitkering terecht is ingetrokken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 mei 2002 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.