ECLI:NL:CRVB:2006:AX8393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verzekeringsplicht en boetes bij arbeidsverhouding advocatenkantoor
Betrokkene, een advocatenkantoor, voerde hoger beroep tegen de vaststelling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat twee personen in dienstbetrekking stonden en dat hierover premies en boetes verschuldigd waren. De rechtbank had het Uwv gevolgd in de kwalificatie van de arbeidsverhouding als privaatrechtelijke dienstbetrekking, maar vernietigde het besluit vanwege onduidelijkheid over de omzetbelasting en wees de boetes af wegens gebrek aan opzet of grove schuld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidsverhouding moet worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden en niet door de partijen zelf. De Raad bevestigt dat de werkzaamheden van de betrokkenen vergelijkbaar zijn met die van een vaste secretaresse, die zij bij ziekte en vakantie vervingen, en dat zij hoofdzakelijk op kantoor werkten, wat duidt op een gezagsverhouding.
De Raad wijst erop dat een VAR-verklaring geen betekenis heeft indien sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep van betrokkene wordt verworpen. Het hoger beroep van het Uwv wordt toegewezen omdat betrokkene zich had behoren te realiseren welke loonopgaven vereist waren, waardoor opzet of grove schuld voor de boetes aannemelijk is. De boetes worden gehandhaafd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de boetes worden gehandhaafd.